Polog 032

Lezer, gegroet.

Hannes probeerde de prins mee te lokken in de schemering van een Nibelungenland. Het rijk waar niets is wat het lijkt. Zo weefde hij, zonder diens naam te noemen, een beschuldigend web om de adjudant. Hij spreidde voor hem een Procrustesbed waarop diens pluimstrijkerij en schone schijn, vileine achterklap en vuige achterdocht, obscure obsessies en diepgewortelde haat, klaar lagen om op maat te worden afgezaagd. Daar liet hij het niet bij. Problemen signaleren is goed maar oplossen is beter.

“Gelukkig zijn spionnen, ondanks hun kwade inborst, mensen van vlees en bloed. Door hun verslaafdheid aan roddels, seks en geld, maken zij fouten. Dat maakt ze kwetsbaar. Ons probleem is dat geheimagenten niet te onderscheiden zijn van de gewone man in de straat, de leverancier of de adjudant. Goede spionnen zijn even alledaags als de meubelstukken om ons heen. Je kijkt ernaar maar ziet er niets bijzonders aan. Zo wiegen ze ons in slaap.”
Na het voorwerk van Hannes was het mijn beurt om de hele toedracht uit de doeken te doen, die ons noopte dit onderhoud aan te vragen. Ik vond in de prins een oplettend luisteraar.

“Klinkt plausibel, Polo, jouw verhaal over die papyrus en zo. Maar hoe betrouwbaar is de informatie over die speld. Klinkt nogal vergezocht?”

“Door en door betrouwbaar” kwam Hannes ertussen. Wat strikt genomen niet waar was want hij had het slechts van horen zeggen.

“Is één bron niet een beetje weinig voor zo’n zware verdenking?”

“We hebben er nog een” zei ik vlug.

De prins wendde zich tot de man naast hem, die niet aan ons was voorgesteld. “Hoor je dat, Haymo? Dit godvergeten oord wemelt van de verraders.”

“Hangt er vanaf. Je hebt goede en slechte verraders. De goede staan aan onze kant” zei Haymo guitig.

“Hoe weet je dat zo zeker?”

“Weet ik niet. In de spionagewereld is niets zeker.”

Haymo had een zangerig accent. Afgaande op het contrast tussen zijn waakzame ogen en opgeruimde lach vermoedde ik in hem een meester in – wat in Venetië bekend staat als sprezzatura – vakmanschap verhuld in nonchalance.”

“Rake observatie, vriend” prees de prins. “Vooruit, Polo. Wie is jullie tweede informant?”

“Willem van Tripoli, hoogheid, een dominicaan, een man Gods.”

“Dominicanen zijn ook niet in hun eerste leugentje gestikt.”

“Ze onderhouden de Tien Geboden, neem ik aan.”

“Die verbieden ons ook met andermans vrouw in bed te duiken.”

“U denkt toch niet dat Willem van Tri…?”

De prins maakte een wegwerpgebaar. “Ach, laat maar!”

“Hoogheid, wij begrijpen hoe oncomfortabel het is om voortdurend onder de troon te moeten kijken of er een huurmoordenaar onder ligt.”

“Of iemand met een zaag” grijnsde Haymo.

“Regeren is een onrustige roeping” gaf de prins toe.

“Niet alleen voor de koning. Zijn hele volk lijdt eronder” zei Hannes.

“Maar koningen toch het meest.”

De opkomende blos op de wangen van de prins verried dat hij het hartgrondig met Haymo eens was. Het geslacht Plantagenet staat bekend om zijn opvliegendheid. Zou de prins aan dit familietrekje toegeven, dan liep mogelijk ons opzetje gevaar om in één klap een spion te ontmaskeren en een aanval op Cyprus te verijdelen. Daarvoor waren wij gekomen. Niet voor ijdel gesnap over de dynastieke risico’s van vorstenhuizen. Met mijn vraag: “Hoe heeft u uw adjudant eigenlijk ontmoet?” hoopte ik het gesprek over het verzadigingspunt heen in een minder controversiële richting te sturen.

E continua