Polog 030

Lezer, gegroet.

De speld lag bijna op haar plek toen er iets knisperde. Eerst dacht ik dat het van buiten kwam. Of een vlieg, gevangen in een spinnenweb? Een gekko? Maar toen ik mijn hand wilde terugtrekken, hoorde ik het weer. Ik spreidde mijn vingers. Mijn duim raakte een verdikking in de stof. Dat moest het boordsel zijn waarmee de binnenrand van de mantel was afgezet. Maar passementen ritselen niet. En er was nog iets vreemds: de binnenrand was niet gemaakt van de omslag of een andere stevige stof maar van koel glad materiaal. Mijn hart begon te bonken en mijn tong werd droger dan een voetzool op woestijnzand. Het zal toch niet waar zijn? Of was dit dezelfde verdwijntruc waarmee mijn vader en oom de hele familie hadden verrast? Ik zag het weer voor me. De avond van hun aankomst en hoe de diamanten en andere edelstenen uit de opengesneden zomen van hun reismantels fonkelend over tafel rolden.

Om een lang verhaal kort te maken, even later hing de mantel om mijn schouders. Stond me goed. Ik betastte een lange leren foedraal die aan de binnenzijde van de mantel was genaaid, van kniehoogte tot de armsgaten, en bovenaan werd afgesloten met een knoopje. Welk geheim zou deze reisnecessaire prijsgeven? Halverwege zat een verdikking. Niet propperig genoeg voor een diamantenkapitaaltje noch bezat het de hardheid van een mes. De inhoud was soepeler. Met mijn wijsvinger drukte ik ‘wat het was’ omhoog totdat er een opgerold papyrusvel zichtbaar werd. Zou er iets op staan? Een amoureuze ontboezeming? Een zakwoordenboek? Een geheime missive? Toen ik het vel ontrolde, zag ik tekeningetjes, symbolen en Arabische letters. In de gauwigheid registreerde ik een bloot meisje, een soort schuitje, een doorgesneden meloen, een gespikkelde kater, een duif en krulletters. Wat een sof! Ik had me mijn spionagewerk anders voorgesteld. Toch maar mee naar buiten smokkelen? Ik kon de papyrus natuurlijk niet zomaar in mijn broekzak steken want dat zou het vroeg of laat worden gemist. Hoe dan wel? Mijn oog viel op de schrijftafel met de maagdelijke papyrusvellen en de inktpot. In een paar minuten had ik alles gekopieerd en zat het originele papyrusrolletje weer op haar plek.

Ik vergewiste mij ervan dat mantel en speld in de kist lagen en liep terug naar de vergaderkamer. Vier gezichten keerden zich naar mij om. “Vader” riep ik “er is iets vreselijks gebeurd. Onze paizé is gestolen!”

 

E continua