Polog 029

Lezer, gegroet.

“Waar is de kamer van de secretaris, hij is zijn aantekeningen vergeten en die moet ik ophalen. Vlug een beetje,” snauwde ik tegen de bewaker die in de gang tegen zijn hellebaard stond te soezen. “Eind van de gang wenteltrap af, tweede deur rechts, edele heer.”

In de kamer van de adjudant kierde langs het gesloten vensterluik een lichtstreep. Het was schemerig maar ik kon alles goed zien. Kale wanden. Kalkstenen vloer. Gladgestreken laken op het bed. Voor het raam een hoge schrijftafel zonder klep. De papierstop hield enkele smetteloze papyrusvellen tegen. In de inktpot stak een pen van riet. Een stoel met biezenzitting. Een nis met lampetkan en waskom. De langwerpige kledingkist met bronzen handvaten deed denken aan een doodskist. Verder niets. De tierelantijnloosheid was strikter dan strikt. Alsof het de kamer verboden was ook maar de geringste informatie over de bewoner prijs te geven. Alleen woestijnvaders zouden bij het betreden van dit vertrek opgetogen in hun handen hebben geklapt. Ook prins Edward, een verwerper van slordigheid en oppositie, wat in zijn ogen een extreme vorm van slordigheid is, zou de bewoner goedkeurende schouderklopjes hebben gegeven. Ik daarentegen, vond het interieur eerder fantasieloos dan getuigen van ernst. Te quasi. Te opzettelijk in haar onopzettelijkheid. Maar goed, ik was geen makelaar of woningzoekende, ik zocht een mantel met een speld. Voordeel van overzichtelijkheid is dat je niet lang hoeft te zoeken. De mantel lag in de kledingkist, keurig opgevouwen. Zandkleurig, met dunne verticale kaneelkleurige strepen. Een dessin dat ik, gezien de kamerinrichting en de attitude van de adjudant, als frivool bestempelde. De verdwijnkleur bracht mij niet van de wijs; dit was een kostbaar kledingstuk, pure zijde, geweven als fluweel. Geen speld. Ik liet mijn hand tussen de stof glijden en voelde hoe mijn vingertoppen tegen de vleug instreken. Opeens beroerden ze een hard voorwerp. Rond, met hiaten, een glad bolletje, van steen of glas. Dat moest de speld zijn. Ik controleerde of hij vastgehaakt zat. Nee, natuurlijk niet! Hoe kon ik zo dom zijn, uiteraard lag hij los, tussen twee beschermende laagjes zachte weelde. In de geest van de eigenaar haalde ik, zonder één plooitje te verstoren, het voorwerp tevoorschijn.

De mantelspeld bestond uit twee zwevende maansikkels van groen glazuur, gevat in een geciseleerde koperen rand; de ene sikkel met de holle zijde naar beneden en de andere met de holle zijde naar boven. De ruggen van de ‘croissants’ waren licht ovaal. De uiteinden raakten elkaar. De amandel die zo ontstond, had iets weg van een vrouwenoog. Die indruk werd nog versterkt door de robijn in het centrum, perfect bol geslepen en helder als een iris. Van robijnen is bekend dat zij de zinnen prikkelen en beschermen tegen gif; de keuze voor deze vurige edelsteen kon haast geen toeval zijn. Ik leek wel een juwelier. Maar ik was niet clandestien iemands privévertrek binnengeslopen om te beoordelen of deze fibula kunst of kitsch was. Ik was op spionnenjacht. Ik schoof de speld weer tussen het fluweel. Ik wist genoeg.

E continua