Polog 028

Lezer, gegroet.

Mijn vader vertelde over de honderd schriftgeleerden en dat wij eerst nog, op verzoek van de Grote Khan, naar Jeruzalem moesten om de olie te halen, die brandt in de lamp boven het Heilige Graf. “

“Jeruzalem, hè” zei de prins nadenkend. “Zou het wat uitmaken als u de olie niet in Jeruzalem maar hier te Acre in een flacon giet, en door de pauselijke legaat laat zegenen? Ik bedoel maar, bespaart u een omweg. Kunt u eerder vertrekken. Ik wil dat de Khan met spoed van mijn plannen op de hoogte wordt gebracht, ziet u.”

Het idee met die olie had de aantrekkelijkheid van de eenvoud. Wat zou mijn vader ervan vinden?

Het was mijn oom die de stoute schoenen aantrok. “Het zou een groot verschil maken, hoogheid.”

Koningen en prinsen, en prinsessen neem ik aan, worden niet graag tegengesproken, dat is bekend. Gelukkig beschikte deze prins over een royaal incasseringsvermogen.

“Ik begrijp niet goed waarin dat verschil zou kunnen zitten.”

Mijn oom slikte moeilijk. “In onze geloofwaardigheid, Lord Edward.”

Het gelaat van de prins versteende. Zijn gezicht kreeg het aanzien van een borstbeeld waarop de beeldhouwer bij het beitelen van het linkeroog, per ongeluk een schilfertje marmer teveel heeft weggehakt. Ik bestierf het bijna. Mijn vader bekeek het plafond. Mijn oom kauwde op zijn lip. De adjudant ademde helemaal niet meer.

De prins gaf met zijn duim een beslistik op tafel. “Vooruit dan maar! Wat moet dat moet! Maar dan moet u binnen een paar dagen uw biezen pakken. Ik heb haast, begrijpt u. Dus geen Trijntje en wijntje onderweg, maar in een rechte streep naar Jeruzalem. Weet u wat? Ik stuur een paar van mijn mannen mee. Weet ik zeker dat u heelhuids terugkeert.”

Voorwaar, een Koninklijk aanbod; zij het niet ontbloot van enig eigen belang.

“Welbeschouwd, heren, gaat het niet om de reis maar om de aankomst” meende de prins. Het was een opvatting waarop viel af te dingen. Door pelgrims bijvoorbeeld, voor wie het juist om de weg gaat en minder om de aankomst. Of door handelsreizigers, altijd klaar om te vertrekken maar na gedane zaken graag weer huiswaarts.

“Wat zou u ervan vinden als ik u niet alleen voor de trip naar Jeruzalem een paar boogschutters meegeef, maar voor de hele reis naar Cathay?”

Hierop had ik gewacht. Mijn vader wimpelde het aanbod subtiel af. “Genereus, hoogheid, edoch, onnodig. De keizer waakt over ons, in hoogst eigen persoon. Hoe, zult u vragen? Zal ik u vertellen. Wacht, ik zal u het gouden paspoort laten zien. De amulet waarmee de bezitter alle poorten kan openen en die vrijwaart van alle soorten ongemakken”. Mijn vader stak zijn hand in zijn jaszak, keek verbaasd, voelde nog eens en schudde zijn hoofd. “Maffeo, heb jij dat ding soms?” Mijn oom rommelde omstandig doch vergeefs in alle plooien van zijn wambuis. “Vergeef me, hoogheid, dan zit dat ding in mijn andere jas” zuchtte mijn vader. “Marco, doe mij een plezier en haal als de wiedeweerga dat ding op. Schiet op, knul! Zijne hoogheid, heeft vandaag nog meer te doen!”

De prins wilde protesteren maar ik was al opgestaan en snelde naar de deur. ‘Ben zo terug, heren” riep ik.

E continua