Polog 026

Lezer, gegroet.

De afspraak met de prins was geregeld door Visconti. Ik betwijfel of het zonder zijn tussenkomst zou zijn gelukt. We werden ontvangen door de adjudant van de prins, de man voor wie ik speciaal was meegekomen. Aan niets was te merken dat hij zich gepasseerd voelde. Volgens Hannes was dit een lid van het spionagegilde. Maar ja, hoe zien schurken eruit? Geen wreed trekje rond de mond, geen valse lachjes, geen slinkse bewegingen. Nogal gewoontjes, eigenlijk. Hoogstens een beetje schimmig. Zoals na die plotse struikelpartij op het terras, toen hij in de menigte was opgegaan zoals een spook in het licht van een onverwacht aangestoken lantaarn.

Hoe hij op de kanselarij van de prins van Engeland was terechtgekomen, was een mysterie dat ik nog eens hoopte te ontraadselen. Maar nu even niet. Vandaag ging het erom dat ik hem kon observeren. Op zijn groene zijden tuniek geen spoor van een speld zoals door Hannes beschreven. Kon ook niet want met die dingen worden de zwaardere buitenmantels vastgespeld.

De deur zwaaide open en iemand bazuinde ‘Zijne Hoogheid Lord Edward’. In de gang klonken vlugge voetstappen. Op de drempel bleef de prins staan. “Ik wil geen poëzie, geen retoriek, ik wil actie! Vertel de heren dat maar!” riep hij, half over zijn schouder. De niet mis te verstane ergernis beloofde weinig goeds voor onze audiëntie. Tegen ons bromde hij: ‘Geen plichtplegingen, alsjeblieft” en gebaarde ons te gaan zitten. De adjudant kreeg een obligaat knikje.

Mijn vader bedankte de prins voor de tijd die hij voor ons had ingeruimd, en overhandigde hem een leren buideltje. “Een teken van erkentelijkheid, hoogheid. Om enige substantie toe te voegen aan onze wens dat u, uw gemalin en uw pasgeboren dochter een lang leven mag zijn beschoren.”

Het prinselijk gelaat ontspande. “U maakt mij nieuwsgierig, waarde Polo.” Hij woog het buideltje op de hand, bracht het naar zijn neus en snoof eraan. ‘Het ruikt vreemd. Mossig. Dragon. Warme leem. Wat zit erin?”

“Triakel, hoogheid. Een melange van kruiden, specerijen en andere ingrediënten, bereid in Venetië, volgens een geheim apothekersrecept. Heilzaam bij messteken.”

“Een goede messenbeschermer noem ik een remedie tegen sterfelijkheid. Een vitaal cadeau. Wat zeg je me daarvan, adjudant” spotte de prins. De reactie van de adjudant kende ik inmiddels; hij glimlachte en zweeg. “Vertel mij alles over de bijsluiter, Polo” beval de prins. “Moet ik het driemaal daags opsmeren? Strooien of verdunnen? Innemen, voor of na de maaltijd?”

“Triakel neutraliseert het gif waarin een dolkstoot is gedoopt.”

“Dolkstoten? Aanslagen? Staan die mij dan te wachten, hier, in dit Heilige Land?”

“In uw kringen lijkt zo’n profylaxe mij geen overbodige luxe. Ik ben zo vrij u te herinneren aan de sluipmoord op de Graaf van Tripoli” lichtte mijn oom toe. “Met een mes, een erg scherp mes.”

“Sluipmoord zou ik ‘t niet willen noemen. De graaf werd op klaarlichte dag overhoop gestoken, nota bene bij zijn eigen stadspoort” gromde de prins.

“Met dodelijke afloop” preciseerde mijn oom.

“Dat wel” gaf de prins toe.

“Zelfs de Sultan van Egypte is benauwd voor een onverhoedse aanslag want die kan van zijn grootste vertrouweling komen” vulde ik aan. Terwijl ik dat zei, probeerde ik de reactie van de schrijver te peilen. Tevergeefs, zelfs geen glimp van een grimas. Mijn peilstok zonk weg in droesem en dras.

Lord Edward kneedde het buideltje. ”Mijn leven ligt in Gods hand. Dat wil echter niet zeggen dat wij het lot moeten tarten. Voor alle zekerheid zal ik het buideltje binnen handbereik houden. De defensie van het Kruis is immers het werk van stervelingen.” De prins schoof het buideltje door naar de adjudant. “En nu ter zake, heren. Visconti vertelde mij dat u kind aan huis bent bij de Mongoolse keizer. Hoe zit dat precies?”

E continua