Polog 025

Lezer, gegroet.

Lord Edward, de prins van Engeland is elke inch een gentleman. Bijzonder, want het beeld wat wij van iemand krijgen op grond van wat anderen ons over deze of gene vertellen, valt zelden samen met onze eigen waarneming. Wij kijken naar dezelfde persoon en zien allemaal iemand anders.

De koningszoon is opvallend lang. Steekt boven alles en iedereen uit. Steltloper op een kermis. Hij heeft de machtige dijen van een gladiator, de verreikende armen van een zwaardman en de rossige baard van een Plantagenet. Met zijn kloeke kaaklijn, sonore stemgeluid en een houding van ‘wie maakt me wat’, herkent men de geboren leider. Alles aan hem ademt het onaantastbare van een man die gewend is aan macht. Het enige exterieure smetje is zijn linker lodderoog; erfenisje van zijn vader.

‘Leiderschap is georganiseerd opportunisme’. De prins zou het gezegd kunnen hebben. ‘Eenieder het Zijne’ is zijn lijfspreuk. Wie een vinger durft uit te steken naar wat van hem is, heeft aan Lord Edward een slechte. ‘Met al mijn krachten zal ik mijn recht verdedigen zoals heel de wereld dat kent’ waarschuwde hij eens. Zelfs tijdens een jachtpartijtje is de prins pas tevreden als hij persoonlijk het hert met zijn lans tegen de grond heeft gewerkt. Een man, behept met zoveel nobele eigenschappen, neemt geen genoegen met wapenspelletjes; die wil het echte werk. Niemand keek dus raar op toen de prins Lodewijk IX van Frankrijk achterna reisde, die ter kruisvaart naar Tunis was vertrokken. Niet zijn allerbeste beslissing want de Franse koning stond meer bekend om zijn godvrezendheid dan zijn strategisch talent. Tijdens een eerdere kruiscampagne had de Egyptische sultan hem met zijn broers krijgsgevangen gemaakt. Niet iets om trots op te zijn. Het losgeld van 800.000 gouden ‘Byzantijnen’ dat moest worden opgehoest, maakte hem niet deemoediger. Zo vertikte hij het om zijn onderdanen ervoor te laten bloeden. Hij leende het geld van de tempeliers. Later, toen de paus zich bij hem bekreunde over de belabberde situatie over zee, hoefde de Heilige Vader dat geen twee keer te zeggen. Lodewijk, wie het kruisvaren in het bloed zat – zijn vader, grootvader en overgrootvader waren oudgedienden in Palestina – had zijn zwaard al omgegespt en rustte voor de tweede maal een kruisleger uit.

Op Sicilië, tijdens een tussenstop, hoorde Edward dat Lodewijk zijn Tunesische expeditie niet tot een goed einde had gebracht. Hij was zelfs gestorven. Of dat al niet rampzalig genoeg was, leed een deel van de inderhaast afgedankte Franse troepen op de terugweg schipbreuk. Lelijke streep door de rekening van de prins. Hij was voornemens geweest de Franse en Engelse legeronderdelen samen te voegen. Gebrieft over de gespannen situatie in het Heilige Land, zwoer hij desondanks een dure eed. ‘Bij het bloed van God, ook al zouden al mijn landgenoten en soldaten mij verlaten, ik zal Acre binnenrijden…en mijn woord houden en mijn eed aan de doden gestand doen’.

Samen met zijn Spaanse echtgenote en enkele kwartiermakers reisde hij, zijn troepen met drie schepen vooruit, naar Acre. Daar aangekomen, koos het echtpaar domicilie in het Franse stadskwartier, aangelegd met fondsen van Lodewijk. De ruim tweehonderd Engelse ridders en circa zevenhonderd langboogschutters arriveerden in tien schepen, twee weken later. Te laat om voor een ontzet van Starkenburg van betekenis te kunnen zijn geweest.

E continua