Polog 024

Lezer, gegroet.

Opnieuw werd het terras opgeschrikt. Aan het einde van het straatje kraaide het oproer. De bediende die op het rumoer naar buiten kwam, dacht dat het bouwvakkers waren. “Ze zijn woedend op de aannemers van de herstelwerkzaamheden aan de stadsmuren. Die huren graag goedkope vluchtelingen in. Bieden zich aan voor een habbekrats.”

‘Broodrovers! Scheer je weg naar je eigen land!’ Alles wees op een escalerend arbeidsconflict. Voor ons terras wilden voorbijgangers het op een lopen zetten maar het straatje was te nauw en te vol. Door het gedrang raakte een man uit zijn evenwicht en struikelde het terras op. Om niet te vallen, zocht hij houvast aan de rand van ons tafeltje. Onze wijnbekers kletterden op de grond.

“He, man, kijk uit je doppen” riep ik.

“Duizendmaal excuses! Ach, nu zie ik ‘t, de jongeheer Polo, nogmaals excuses, een ongelukje” hijgde de man, in wie ik de adjudant van prins Edward herkende.

“Al goed, al goed, beste man” riep ik hem na want hij was alweer meegevoerd door het gewoel.

Toen ik me omdraaide, keek ik in het ontstelde gezicht van Hannes. “Marco, zag je die speld”, siste Hannes opgewonden.

“Speld? Welke speld?”

“Zijn mantelspeld.”

“Nou nee…ik…Het enige wat ik zag, was dat zijn mantel een bruin werkje had of zo.”

“Een spion van Baibar.”

“Wat zeg je me nou, Hannes! Die man bekleedt een vertrouwenspositie aan het Engelse hof. Je vergist je. Echt!”

“Marco, die kerel van daarnet droeg net zo’n speld als de man die ons de plattegrond van Stakenburg liet zien, bij Baibar in de tent. Daaraan herkende ik hem.“

“Gewoon een sieraad, Hannes. Wat kan het anders zijn?”

“Luister goed, Marco. Baibar heeft een geheime dienst. Zo geheim dat zijn agenten elkaar niet eens kennen. Niemand weet wie er bij hoort en wie niet. Om eventuele misverstanden te voorkomen, zijn zij uitsluitend herkenbaar aan een bepaald voorwerp, een wachtwoord, een of ander signalement, vermoed ik!”

“Bijvoorbeeld een fibula, hè?”

“Ja, bijvoorbeeld een mantelspeld.”

“Hm, Hannes, een aanleiding van een vermoeden, ik weet het niet. Enfin, morgen hebben mijn vader, mijn oom en ik een afspraak met de prins. Ik zal er toch eens op letten.”

E continua