Silk Race

Polog 9

Mijne dames en heren, keizers en koninginnen, hertogen en markiezinnen, edelen en burgeressen. Voor u, die wil weten in wat voor een wonderlijke omgeving een gewone jonge koopman uit Venetië leeft en werkt, hoop ik dat dit logboek voor u een welkome wekelijkse afleiding zal vormen. U zult er onopgesmukte noties en eerlijke verhalen in vinden over mijn familie, hun handel en wandel op de jaarmarkten van Europa en in de onmetelijke landen van het oosten, en over mijn eigen wedervaren, binnen en buiten Venetië. Waarmee niet gezegd wil zijn dat van dezelfde gebeurtenissen geen andere weergave mogelijk zou zijn. POLOG blijft de werkelijkheid van mij, Marco Polo.

Polog 9

Lezer, gegroet

Natuurlijke heeft de plundering van Constantinopel toentertijd levens en stadsschoon geëist. Ik zal het niet ontkennen. De pleinen en overige publieke ruimten zagen er sindsdien een stuk ongezelliger uit. Desondanks heeft het openbare leven weer zijn normale loop hervat. Ook hier zien we dat steden die door de oorlog worden getroffen, veel tijd nodig hebben om hun wonden te likken maar altijd doorstrompelen totdat ze hersteld zijn. Daarom vind ik de weeklacht dat ‘de oogappel aller steden, onderwerp van verhalen over de gehele wereld, schouwspel verheven boven de wereld, leidster van het geloof, gids van de orthodoxie, beschermster van het onderwijs, woonstede ten dode was opgeschreven ’erg wee en overdreven.

Extra pech had de stad wel. Het nieuwbakken Latijnse Koninkrijk dat die Byzantijnse machtprutsers afloste, had hoegenaamd geen fondsen waarmee de allure van de stad voortvarend in oude glorie kon worden hersteld. Geen vetpot. Niet voor de koning noch voor de inwoners. Verre van dat zelfs. De spullen die eventueel te gelde hadden kunnen worden gemaakt, zoals meubilair, versierselen en andere kostbaarheden uit de paleizen,waren immers al weggesleept door ‘Frankische’ plunderaars. Er restte nog maar weinig dat met opbod kon worden verkocht. Trouwens, ik moet er niet aan denken wat de bronzen paarden die boven de keizerlijke loge in het hippodroom hadden gestaan en nu onze San Marco sieren, hadden moeten kosten als we ze, bij wijze van herstelbetaling, hadden willen verwerven. Was overigens nog een heel gedoe want toen het hippisch kwartet in Venetië werd afgeleverd, wist eerst niemand zo gauw wat ermee moest gebeuren. Totdat ergens het lumineus idee opborrelde om de kerk van onze stadpatroon ermee te kronen.

En laat niemand rondbazuinen dat wij als enige van die mesalliance hebben geprofiteerd. Driemaal tijdens de plunderingen brak er brand uit. Hebben we die soms aangestoken? Ook de aantijging aan ons adres dat sinds de schepping van de wereld niet zoveel rijkdommen uit een enkele stad waren weggesleept, is kwaadwillig. We waren verre in de minderheid. Overdrijven is ook een kunst.  Ik zeg niet dat we er slechter van zijn geworden. Maar onze winst kwam door slim onderhandelen; achteraf, nadat de branden waren geblust en de soldaten hun ‘verdiende loon’ hadden geïnd.

De priester – een rooms-katholieke en niet een Grieks-orthodoxe, zeg ik er volledigheidshalve bij – die zei dat de val van de Byzantijnen een zegen was omdat daardoor de reliekenkastjes evenwichtiger over de christenheid werden verdeeld, geef ik geen ongelijk. Hij doelde op de verzamelwoede van de Byzantijnen van heilige zaken zoals de originele Vier Evangeliën die in het keizerlijk paleis op een lege troon lagen, als symbool van de levende aanwezigheid van God. “Nou, dat hebben ze geweten” was het cynische commentaar van die priester. Tot welke onpeilbare diepte die hovaardij de Byzantijnen had laten zakken, kon, volgens hem, gemakkelijk worden afgeleid uit het monstrueuze aantal relikwieën dat het zelf benoemde uitverkoren volk van God zich had toegeëigend. De priester noemde ze op. “De dissel waarmee Noach de Ark had gebouwd, de nardusolie waarmee Maria Magdalena de voeten van Jezus zalfde, de mantel en de gordel van Maria, de luiers van het Kindje Jezus, de lans waarmee de zij van de Verlosser werd doorboord, splinters van het Kruis, de Doornenkroon, de Grafsteen”.

Naarmate zijn opsomming vorderde, begon hij steeds opgewondener te gesticuleren en dat waren allesbehalve zegenende gebaren. Het was duidelijk dat die Byzantijnse inhaligheid van toen hem nog steeds aangreep.”Nergens in de stad was toen een openbare gelegenheid, herberg, paleis of een particuliere woning of er zat een kerkje of nis tegenaan geplakt. Te veel, geachte heer, te veel van het goede’ oordeelde de priester terwijl hij me streng aankeek. “Dan vraag je erom!” besloot hij duister.

E continua

Marco Polo